2016 Hammenaren op’t Hazepad (1825)

27 mannen uit de buurtschap Magele onder Den Ham trekken in 1825 naar Bentheim. Gewone mannen uit Den Ham en omstreken. Zij wilden zout halen. Uiteraard zonder toestemming en op de terugweg werden ze aangehouden door een aantal commiezen. Een schermutseling was uiteindelijk het gevolg. Twee van de commiezen kregen een flink pak slaag. De smokkelaars konden echter hun straf niet ontlopen en werden in de loop van de maanden er na gevangen brief-procureuren berecht. Eerst in Almelo en 10 maanden later in Zwolle. 12 van hen zijn uiteindelijk vrijgesproken door gebrek aan bewijs, de overigen zijn veroordeeld en bestraft. De straf varieerde van “pronkstelling” op het schavot op de Grote Markt in Zwolle tot gevangenisstraffen van vijf jaar. Dit vonnis kwam hard aan in Den Ham. Vooral toen twee van de gevangenen overleden in de gevangenis van Leeuwarden.

Veel bewoners rondom de Brink hadden een huistapperij of mini-herberg. In hun huiskamer kon men een borrel of koffie nuttigen.
Rond 1830 waren er een drietal:
– Teune Jannesen (‘Teunen Wilms’) in het pand waar later kapper Kobes zat.
– Herberg de Posthoorn van H.J. Dekker in wat nu cafe De Brink is.
– Teunis Arendshorst was kleermaker en had een tapperij in wat nu “Readshop” is.
In de omgeving waren veel thuiswevers, zeker ook in Den Ham – tien tot dertig % van de armere bevolking had een weefgetouw thuis staan.
Thomas Ainsworth, een pionier uit Engeland, zocht ook hier naar geschikte plekken voor een industriële vorm van het produceren van geweven stoffen.download

De postkoets (of Postiljon, Diligence) deed dagelijks Den Ham aan. Niet alleen post maar ook reizigers van Twente naar (vooral) Meppel kwamen mee. Den Ham was een ideaal punt om de paarden te doen rusten en te voeden.
Een van de passagiers was Thomas Ainsworth uit Engeland. Hij was een pionier die in Twente zocht naar geschikte plekken voor een industriële vorm van het produceren van geweven stoffen. In Den Ham had Gerrit Pieltjes in de Voorstraat een klein weeffabriekje.
Ainsworth kwam in 1836 in het Hellendoornse Noetsele terecht. Er werd een handelsgebouw geplaatst, daar waar de nieuwe straatweg van Almelo naar Zwolle de Regge kruist. De ontstane plaats werd Nijverdal genoemd. Ainsworth werd zodanig de grondlegger van de Twentse katoenindustrie.

Vanaf einde 18de eeuw nam het aantal inwoners van het platteland versneld toe. Binnen “de Marke” was er geen mogelijkheid was om ergens een huisje te bouwen of een hoekje woeste grond te ontginnen.
Arme landarbeiders bouwden een hutje op een hoekje grond achter de Mageler-es bij de  Achteres en de Geerdijk. De armoede die daar heerste is te vergelijken met de plaggenhutten later in het veen.

Smokkelen in vroeger dagen heeft een opwindende klank maar de werkelijkheid was vaak een stuk grimmiger. Sluipen in donkere nachten langs smalle bospaden, achtervolgd door commiezen en marechaussees, onvermijdelijk ‘de knopen’ genaamd. 27 mannen uit de buurtschap Magele onder Den Ham trokken in december 1825 naar Bentheim om zout te smokkelen. De mannen konden van Den Ham bijna rechtstreeks door woest gebied, onontgonnen heidegrond, bossen en moerassen naar Bentheim en de schuilplaatsen waren legio. Het waren geen onverschrokken helden maar gewone mannen uit Den Ham en omstreken.
De afloop van deze tocht was dramatisch. Ruim tien maanden later, in oktober 1826 stonden de mannen terecht in Zwolle.
Dit en de daaropvolgende vonnissen kwamen hard aan in Den Ham, vooral toen bekend werd dat twee van hen overleden in de gevangenis van Leeuwarden.
Toch ging het smokkelen door. De risico’s werden aanvaard. Bittere armoede bleef de mannen op het slechte pad brengen. Ze zagen er niets slechts in; het bracht het broodnodige geld in het laatje.

img_7849Vanaf 1816 werd de Hervormde kerk landelijk onder overheidstoezicht geplaatst.
Het werd de ‘staatskerk’. In de geest van de “verlichting” werd alle ruimte gegeven aan een moderne vrijzinnige denkwijze.
In nogal wat streken in het land kwamen conservatief denkende gelovigen daartegen in het verweer. Er ontstonden groepen van mensen die thuis bijeenkwamen en gingen lezen in oude boeken van 17de eeuwse calvinistische schrijvers en luisterden naar zogenaamde “oefenaars”, rondtrekkende sprekers, zeg maar “evangelisten”.
Uit deze groepen ontstond later de Gereformeerde.img_7852

In Overijssel waren vooral de theologiestudent Van Raalte en de Hammenaren Gerrit Jan Klaassen Seine Bolks actief. Alle drie waren graag geziene sprekers op de huisbijeenkomsten, ook wel conventikels genaamd.

 

 

 

De barbier verrichte in die tijd ook geneeskundige handelingen.
Het gewone volk kwam bij de barbier vanwege de scherpe prijs, want een arts of chirurgijn vroeg veel meer geld. Een barbier stond echter wel onderaan de maatschappelijke ladder.
Hij verloste je van overtollig haargroei en ook van je kwalen middels het verstrekken van geneesmiddelen, kruiden en drankjes. Ook verrichtte hij aderlatingen en trok tanden.
Soms werden vage, zelfgemaakte “geneesmiddelen” verkocht die geen enkele werking hadden op de te behandelen kwaal of ziekte. Sterker nog, vaak werd de patiënt alleen maar slechter als hij dit “geneesmiddel” gebruikte.