Rooj’n Jan en Kaal’n Mannes
De pakkendragers van 1826.
Den Ham, 1826. Een ruig grensdorp, omgeven door bos en moerasgebied. De armoedige bevolking heeft het zwaar, met name in de strenge winters. Er is in de winter immers weinig werk te doen op het land…en dus zijn er ook vaak weinig manieren om de kost te verdienen. Wel zijn er veel kroegen en herbergen, met daarin volk uit allerlei regio’s; handelaren, reizigers, marskramers en smokkelaars belanden hier vaak op hun doorreis. Je ziet de Hammenaar dan ook vaker in de kroeg, dan in de kerk van dit Goddeloos ‘n Ham. De kerk is overigens ook veel te klein en lekt aan alle kanten…Niet vreemd, dat juist op deze plek smokkelaars het hazepad kiezen. Een welkom extra zakcentje, om de barre winter door te komen. Vanaf Den Ham is het een groot moerasgebied, tot aan de grens.
Jonge mannen en zelfs kinderen, trekken het dorp uit en de moerassen in…om ‘luxegoederen’, zoals zout (het witte goud), suiker, cognac en tabak te smokkelen, vanuit wat nu ‘Duitsland’ heet…
Het smokkelen van zout en suiker, gaat in zulke grote getale, dat de smokkelaars ook wel ‘pakkendragers’ worden genoemd.
Het leven van een pakkendrager is niet makkelijk; het ene moment moet je je verschuilen voor veldwachters, om op het andere moment de buit net op tijd te kunnen verstoppen voor commiezen. ‘s Nachts trokken de pakkendragers in groepen door gevaarlijke moerasgebieden. Met altijd het risico opgepakt te worden, of verraden, of erger…
Historisch Schouwspel 2023 vertelt dit verhaal.
Het verhaal van Rooi’n Jan & Kaal’n Mannes, en de pakkendragers van 1826.
Rooi’n Jan: Schaarslijper Jan Top
Dat we in die jaren te doen hebben, met wat we haast een bendewezen zouden kunnen noemen, bewijst ook de geschiedenis, die zich voordeed in februari 1836. Op 5 februari krijgt burgemeester Bouwmeester van zijn collega te Holten per expresse bericht, dat daar ’s nachts “een aanzienlijke diefstal” is gepleegd. Nu is de dag te voren over de Hellendoornse brug gepasseerd, gaande in de richting Holten, Jan de Schaarslijper, en de burgemeester van Hellendoorn vermoedt hier verband met de inbraak in Holten. De 6e febr. ontvangt hij bericht, dat Jan de Schaarslijper met Jan Top, ook “Rooye Jan” genoemd gesignaleerd zijn in Twilhaars Bosch. De beide verdachten zijn ontkomen, maar Jan moet in de vlucht zijn hoed achterlaten. Men heeft hem herkend als “Jan de Schaarslijper”, terwijl ook de hoed zijn identiteit verraadt. De gevangenen worden naar de herberg van Teunis de Jong gebracht. (Die herberg was er al een paar jaar voor de stichting van Nijverdal). Daar veronderstelt wordt, dat Jan de Schaarslijper gevlucht is in de richting Den Ham wordt “momenteel de burgemeester van Den Ham per expresse te paard het voorval bericht, teneinde zo mogelijk den ontsnapten in handen te krijgen”. Of dit gelukt is en hoe alles verder verliep, is niet vermeld.
Avontuur in ‘t Twilhaarschbosch: gewonde veldwachters
Op 4 maart 1834 krijgt onze burgemeester van zijn collega uit Raalte bericht, dat er een “aanmerkelijke diefstal” heeft plaats gevonden. Onmiddellijk stuurt de burgemeester de veldwachter naar “het dennenbosch op de Twilhaar” (vlak achter de berg), omdat vermoed wordt, dat de dieven zich daar overdag zullen verschuilen.
De burgemeester heeft goed gegokt. In het bos is het Van Corbach,die drie pakkendragers ontdekt. Van Corbach roept: “Sta!” en weet een van de kerels te grijpen, maar als ze alle drie hun messen trekken en op hem aanvallen, moet hij loslaten. Hij roept: “Veldwachter, gauw met uw pistool en geef vuur”, maar als Ekkel met zijn assistent komt aangerend, snijden de dieven de draagbanden van de pakken door en gaan er van door. Een loopt zich vast voor een waterpoel en Ekkel krijgt hem te pakken, maar hij moet loslaten als deze hem met zijn mes een snede toebrengt in het aangezicht, van het linkeroog tot onder de wang onder aan zijn mond.
De rover springt in het water en waadt naar de overkant, maar daar heeft Alberts-boer post gevat, die blijk geeft ook niet voor een kleintje vervaard te zijn. Hij heft zijn knuppel en brengt hem zo’n geduchte klap toe, dat de smokkelaar “ter aarde zeeg”. Het blijkt dat men te doen heeft met de gevaarlijke rover Mannes Brinkman (Kaalen Mannes) uit Magele (Den Ham). In een later schrijven van 29 mei van dat jaar wordt gesproken van “de overleden Mannes Brinkman”.
Was de klap van Albertsboer zó hard aangekomen?


